Wmo bereikt slachtoffers huiselijk geweld onvoldoende
02-03-2010
Slechts de helft van de gemeenten vindt dat de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) meer samenhang heeft gebracht in de hulp aan zwakke groepen in de samenleving. Dat blijkt uit een evaluatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). De problemen van slachtoffers van huiselijk geweld, daklozen en drugsverslaafden zijn in 'hooguit een derde' van de gemeenten goed in beeld.
"Slachtoffers van huiselijk geweld, daklozen en drugsverslaafden zijn natuurlijk groepen die lastig bij een Wmo-raad te betrekken zijn", stelt Mirjam de Klerk, projectleider Wmo bij het SCP, gisteren in het Nederlands Dagblad. "Maar je kunt als gemeente natuurlijk ook anderen vragen in een Wmo-raad hun belangen te behartigen."
De Wmo trad op 1 januari 2007 in werking. De wet heeft als doel de zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden van burgers te bevorderen en de sociale samenhang en leefbaarheid op lokaal niveau te versterken. Gemeenten kregen hierbij een regierol. Volgens De Klerk hebben ambtenaren wel zicht op de inhoud van de wet, maar beduidend minder zicht op de mensen waarvoor de wet bedoeld is. Grote groepen blijken zich niet aan het Wmo-loket te melden. "De Wmo-ambtenaar is nog een beetje zoekende naar zijn doelgroep."
Uit de evaluatie van het SCP komen ook veel positieve geluiden naar voren. Zo beoordelen de bij de Wmo betrokken ambtenaren, uitvoerende organisaties en cliënten de werking van de wet overwegend positief. Viervijfde van de cliënten voelt zichzelf door de ondersteuning via de gemeente minder afhankelijk van anderen. De ondersteuning leidt in het algemeen ook tot een betere redzaamheid. In 85 procent van de gemeenten worden de belangen van ouderen en lichamelijk gehandicapten goed behartigd.

