Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Evaluatie Verbeterplan Vrouwenopvang 2008-2014

01-10-2014

Resultaten na zes jaar

Doel van het project Verbeterplan Vrouwenopvang was de kwaliteit van hulp en opvang binnen de vrouwenopvang te verbeteren. Alle instellingen met residentiële vrouwenopvang deden mee, op drie kleine instellingen na. Zowel grote als kleine opvangvoorzieningen waren bij het Verbeterplan betrokken.

Resultaten

In de afgelopen zes jaar zijn veel van de doelstellingen bereikt. De samenwerking tussen de instellingen heeft bijgedragen aan het steviger neerzetten van de sector. Het is normaal geworden binnen de vrouwenopvang om met gestandaardiseerde screeningsinstrumenten te werken. Ook wordt binnen de vrouwenopvang door alle instellingen met eenzelfde basismethodiek gewerkt: Krachtwerk.

Daarnaast is er afzonderlijk aandacht gekomen voor de kinderen in de vrouwenopvang. In 2013 is in twee derde van de instellingen Veerkracht geïmplementeerd en in 2014 zullen naar verwachting alle instellingen Veerkracht hebben ingevoerd en zullen alle kinderhulpverleners zijn getraind in de methodiek.

Huisvesting

Ook het bewustzijn over de invloed van huisvesting op hulpverlening is toegenomen. Er hebben kleine en grote aanpassingen plaatsgevonden in verschillende locaties. Locaties voldoen aan de vereisten van goede bereikbaarheid en veiligheid, maar wat betreft de scheiding tussen wonen en zorg is dit niet altijd het geval. Daarnaast is er meer aandacht gekomen voor de sociale activering van vrouwen in de vrouwenopvang.

Samenwerking met ketenpartners

Mede naar aanleiding van het invoeren van screeningsinstrumenten is het doorverwijzen makkelijker geworden. De instellingen hebben op verschillende manieren de samenwerking en afstemming met ketenpartners opgepakt en vormgegeven.

pdf-bestandEvaluatie Verbeterplan Vrouwenopvang 2008-2014. Resultaten na zes jaar


Lünnemann, K.D., Tan, S., Los, V.. M.m.v. R. Verwijs (2014). Evaluatie Verbeterplan Vrouwenopvang 2008-2014. Resultaten na zes jaar. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.