Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Huiselijk geweld: Aard, omvang en hulpverlening

01-10-1997

Een belangrijk doel van dit onderzoek uit 1997 was het genereren van algemene informatie over huiselijk geweld. Het onderzoek moest informatie opleveren over huiselijk geweld onder mannen, vrouwen, ouderen en jongeren.

Ook moest het onderzoek inzicht verschaffen in alle mogelijke aspecten van huiselijk geweld. Daarbij kwam nog de wens om zowel geweld in de kinderjaren als daarna in kaart te brengen. De opzet van het onderzoek is breed, de uitkomsten
zijn dus ook breed.

De opzet van het onderzoek

Dit onderzoek naar de omvang en aard van huiselijk geweld is breed opgezet. In totaal zijn 516 mannen en 489 vrouwen in de leeftijd tussen 18 en 70 jaar ondervraagd over hun ervaringen met huiselijk geweld. De respondenten zijn willekeurig geselecteerd. De interviews zijn gehouden in de periode van half mei tot half juli 1997.

Veel andere onderzoeken op het gebied van huiselijk geweld zijn gebaseerd op kleine steekproeven. Er zijn wel grootschalige kwantitatieve onderzoeken verricht, maar deze hadden dan betrekking op een onderdeel van de problematiek van huiselijk geweld of waren gericht op een bepaalde bevolkings- of slachtoffergroep.

Hoewel de respondenten willekeurig zijn geselecteerd, kan dit onderzoek toch het beste als een `wit' onderzoek worden beschouwd. Aangezien de vragenlijst in het Nederlands gesteld was, zijn alleen respondenten die de Nederlandse taal machtig waren ondervraagd. Inzicht in de omvang van huiselijk geweld onder allochtone bevolkingsgroepen vereist aanvullend onderzoek dat speciaal gericht is op deze groepen.

De vragenlijst

Onder huiselijk geweld verstaan we een aantasting van de persoonlijke integriteit van het slachtoffer door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer. Daaronder vallen (ex-)partners, gezins- of familieleden en huisvrienden. Bij het vormgeven van het onderzoek is er voor gekozen om vooral te kijken naar het geheel van voorvallen dat zich tussen dader en slachtoffer van huiselijk geweld afspeelt: het complex van het huiselijke geweld.

Allereerst is voor 32 verschillende vormen van huiselijk geweld gevraagd of men daar ooit zelf het slachtoffer van is geworden. Hoewel er alleen volwassenen zijn ondervraagd, hebben de gegevens dus ook betrekking op slachtofferschap onder de 18 jaar. De voorvallen behelzen zowel geestelijke, lichamelijke als seksuele vormen van geweld. Daarna werd voor ieder voorval vastgesteld wie de dader was.

Vervolgens werd de nadruk op afzonderlijke voorvallen losgelaten en werden vragen gesteld over het complex van het huiselijk geweld behorende bij elke dader. Om de duur van de enquête en de belasting van de respondenten binnen de perken te houden is ervoor gekozen maximaal drie verschillende daders te behandelen. Als iemand van meer dan drie daders slachtoffer was, werden de vragen gesteld voor de drie daders die de meeste voorvallen hadden gepleegd.

De vragenlijst is getest in proefinterviews met zowel slachtoffers van huiselijk geweld als met willekeurig geselecteerde respondenten. Deze proefgesprekken wezen uit dat de vragenlijst niet te moeilijk of te bedreigend was. Vooral de vragen over het huiselijke geweld waren volgens de proefrespondenten prettig verwoord. Zonder teveel in te gaan op de details van het geweld kwam de meeste informatie toch aan het licht. De proefgesprekken hebben dan ook alleen tot technische aanpassingen van de vragenlijst geleid.

Het onderzoek

In de eerste fase van het onderzoek is aan een willekeurig geselecteerde groep van 4600 Nederlanders een brief gestuurd waarin het onderwerp van het onderzoek werd geïntroduceerd met het verzoek om mee te doen aan het onderzoek. Bij de brief zat een antwoordstrookje dat kon worden teruggestuurd door mensen die niet mee wilden doen aan het onderzoek.

Dit strookje is door iets minder dan een kwart van de geadresseerden teruggestuurd (24%). De overgebleven respondenten zijn telefonisch benaderd door een enquêtrice met het verzoek om een afspraak te maken voor het afnemen van het interview. In principe werden de interviews alleen door enquêtrices afgenomen, maar tijdens het eerste telefonische contact werd ook de mogelijkheid geboden om een mannelijke enquêteur te laten komen.

Van deze mogelijkheid is door slechts vier respondenten gebruik gemaakt. Onder de mensen die het strookje niet hadden teruggestuurd, was de respons hoog: 58 procent. Degenen waarmee wel contact is geweest, maar die niet mee wilden of konden doen aan het onderzoek gaven als reden hiervoor meestal op dat ze geen interesse hadden (51%) of geen tijd (25%). Bij de rest (24%) ging het om allerlei praktische redenen als een vakantie, een verhuizing of zelfs een bevalling.

Slechts vijf `weigeraars' noemden een inhoudelijke reden om niet aan het onderzoek mee te kunnen of willen doen. De ondervraagde steekproef vormt qua leeftijd, geslacht en woonregio een redelijke afspiegeling van de Nederlandse bevolking. Met behulp van weegfactoren is ervoor gezorgd dat de steekproef qua leeftijd en geslacht zelfs precies overeenkwam met de Nederlandse bevolking.

De interviews zijn bij de respondenten thuis gevoerd met behulp van Computer Assisted Personal Interviewing (CAPI) op draagbare computers. Het gebruik van computers maakte het mogelijk om ingewikkelde doorverwijzingen en berekeningen tijdens het vraaggesprek foutloos uit te voeren; iets wat bij schriftelijk onderzoek veel moeilijker is. Een andere mogelijkheid was om de respondenten de meest intieme vragen zelf direct op de computer te laten beantwoorden. Deze privacy werd bijzonder op prijs gesteld. In het algemeen zijn de gesprekken goed verlopen. Het leeuwendeel van de respondenten zei zich tijdens de enquête helemaal op zijn of haar gemak te hebben gevoeld.

De resultaten

Er wordt in dit rapport onderscheid gemaakt tussen `incidenten' en `huiselijk geweld'. Er is sprake van incidenten als het geweld:

  • geen lichamelijk letsel veroorzaakte, én
  • geen noemenswaardige gevolgen had (zoals eetproblemen, angstgevoelens, een echtscheiding, problemen met intimiteit en/of seksualiteit), én
  • minder dan 1 jaar duurde, én
  • eenmalig, of ten hoogste enkele keren voorkwam.

In alle andere gevallen is sprake van niet-incidenteel huiselijk geweld, wat in dit rapport wordt aangeduid met de term `huiselijk geweld'. Dit geweld heeft ofwel lichamelijk letsel veroorzaakt, ofwel noemenswaardige gevolgen gehad, ofwel langer dan 1 jaar geduurd, of is tenminste maandelijks voorgekomen. Als we dit als criterium hanteren en de uitkomsten vertalen naar de Nederlandse bevolking als geheel, vinden we de volgende resultaten.

Slachtofferschap van huiselijk geweld

  • 45% van de Nederlandse bevolking is zelf ooit slachtoffer geworden van niet-incidenteel huiselijk geweld.
  • 11% van de Nederlanders is slachtoffer van huiselijk geweld dat lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
  • 30% van de Nederlanders is slachtoffer van huiselijk geweld dat noemenswaardige gevolgen heeft gehad zoals een scheiding, angstgevoelens, neerslachtigheid, eetproblemen of problemen met relaties en/of intimiteit. 21% van de Nederlanders is slachtoffer van huiselijk geweld dat langer dan vijf jaar duurde.
  • 27% van de Nederlanders is slachtoffer van huiselijk geweld waarbij de voorvallen wekelijks of dagelijks voorkwamen.
  • Geestelijke, lichamelijke en seksuele vormen van huiselijk geweld komen vaak samen voor in één complex van huiselijk geweld.
  • Tweederde van de Nederlanders kent iemand (of denkt iemand te kennen) die slachtoffer is (geweest) van huiselijk geweld.

Wie wordt slachtoffer?

'De meeste slachtoffers worden in hun jeugdjaren (tussen 10 en 25 jaar) slachtoffer van huiselijk geweld. Dit geldt met name voor lichamelijke en geestelijke vormen van huiselijk geweld. Seksueel geweld komt onder jongeren ongeveer in gelijke mate voor als onder volwassenen. Toch is nog altijd 45% van de slachtoffers van seksueel geweld jonger dan 18 jaar op het moment dat de voorvallen voor het eerst plaatsvinden. - In totaal worden jongens en mannen in gelijke mate slachtoffer van huiselijk geweld als meisjes en vrouwen. Mannen (met name jongens tussen de 10 en 20 jaar) worden vaker slachtoffer van lichamelijke vormen van huiselijk geweld dan hun vrouwelijke leeftijdgenoten. Vrouwen worden met name slachtoffer van seksuele vormen van huiselijk geweld. Van geestelijke vormen van huiselijk geweld worden mannen en vrouwen ongeveer in gelijke mate slachtoffer.

  • Vrouwen worden vaker slachtoffer van geweld met een zeer hoge intensiteit (hoge frequentie, lange duur, lichamelijk letsel en andere gevolgen) dan mannen.
  • Het is niet zo dat huiselijk geweld alleen in de 'lagere' milieus voorkomt. De resultaten wijzen uit dat huiselijk geweld in alle lagen van de bevolking voorkomt. Voor de bekendheid met slachtoffers geldt zelfs dat deze onder hoger opgeleiden hoger is dan onder lager en middelbaar opgeleiden.

Daders

  • 80% van het huiselijke geweld wordt gepleegd door mannelijke daders.
  • In het algemeen geldt: hoe hechter de relatie tussen dader en slachtoffer, des te intenser het huiselijk geweld. Als huiselijk geweld wordt gepleegd door een `huisvriend' van het slachtoffer gaat het in veel gevallen om incidenteel geweld. Als huiselijk geweld wordt gepleegd door een (ex-)partner van het slachtoffer gaat het in veel gevallen juist om geweld met een (zeer) hoge intensiteit.

Praten over het geweld en verzet

  • 80% van de slachtoffers van huiselijk geweld heeft met iemand over het geweld gesproken, hetzij tijdens de periode waarin het geweld gebeurt, hetzij daarna. De rest van de slachtoffers (20%) heeft dus nooit met iemand over het geweld gesproken.
  • Het is niet zo dat naarmate het geweld intenser is, de slachtoffers er vaker met iemand over praten.
  • De belangrijkste redenen om niet over het geweld te praten zijn schaamte- en schuldgevoelens. Voor een grote groep slachtoffers geldt dat zij te jong waren om over het geweld te praten (21%).
  • 13% van de slachtoffers van huiselijk geweld praat met een arts of instelling over het geweld. Hoe intenser het geweld, des te meer wordt er contact gezocht met hulpverlenende instanties. Toch heeft slechts 23% van de slachtoffers van geweld met een (zeer) hoge intensiteit met een arts of instantie over het geweld gesproken. Dit betekent dat bijna driekwart van het meest intense huiselijk geweld buiten het - officiële - gezichtsveld van hulpverleners valt.
  • Tweederde van degenen die contact hebben gehad met een arts of instelling, zegt dat ze werden begrepen en de helft zegt echt iets aan de hulp te hebben gehad. Het blijkt dat de huisarts in de meeste gevallen degene is waarmee deze slachtoffers van huiselijk geweld contact hebben gehad.
  • Verzet tegen huiselijk geweld helpt vaak. Bij ruim de helft van de slachtoffers die iets tegen de dader probeerden te doen (praten met dader, melden bij instantie, terugvechten, of iets anders) zijn de voorvallen helemaal gestopt. Bij 20% van degenen die iets tegen de dader probeerden te doen, heeft dit verzet op geen enkele manier geholpen.

Melding en aangifte bij de politie

  • Huiselijk geweld wordt relatief weinig gemeld en aangegeven bij de politie. In totaal wordt 12% gemeld bij de politie. In 6% van de gevallen komt het ook tot een daadwerkelijke aangifte in de vorm van een ondertekend proces-verbaal.
  • Bij geweld met een zeer hoge intensiteit valt op dat het wel vaker gemeld wordt dan bijvoorbeeld incidenteel geweld, maar dat dit niet resulteert in meer aangiften. Incidenteel geweld wordt door 6% gemeld en door 5% aangegeven. Geweld met een zeer hoge intensiteit wordt door 17% gemeld en - eveneens - door 5% aangegeven.

Gevolgen van huiselijk geweld

  • Ruim een kwart van de slachtoffers van huiselijk geweld zegt minder zelfvertrouwen te hebben als gevolg van het geweld (26%).
  • Eén op de vijf slachtoffers heeft last van angstgevoelens gekregen (19%).
  • Eén op de tien slachtoffers heeft problemen gekregen met intimiteit en/of seksualiteit (10%).
  • 11% van de slachtoffers van huiselijk geweld is gescheiden van de dader.
  • Slachtoffers van huiselijk geweld voelen zich aanmerkelijk vaker onveilig dan niet-slachtoffers. Ook hebben zij vaker gezondheidsklachten, meer last van gevoelens van minderwaardigheid en hebben zij minder sociale contacten dan niet-slachtoffers.
  • Deze gevolgen zijn niet alleen merkbaar ten tijde van het geweld, maar ook daarna.

Dijk, T. van, Flight, S., Oppenhuis E., & Duesmann, B. (1997). Huiselijk geweld, Aard, omvang en hulpverlening. Den Haag: Intromart, Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.
ISBN 90-5319-051-1.