Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Mogelijke eerzaken nader bekeken

01-09-2010

In deze derde rapportage gaat het om de inhoud en achtergronden van de casuïstiek. Daarbij worden vijftig bedreigingen en elf zaken met dodelijke afloop nader geanalyseerd.

Deelrapporten 1 en 2 zijn gewijd aan de vraag hoe mogelijke eerzaken onder de aandacht van de politie zijn gekomen en de wijze waarop vervolgens informatie over die zaken is verzameld en in een dossier is vastgelegd. In dit rapport gaat het meer over kenmerken van de casuïstiek: welke conflicten spelen er tussen burgers? Wat is de aanleiding en het verloop van een conflict? Net als in de eerste twee rapporten wordt in dit verslag aandacht besteed aan de fundamentele vragen waarom en hoe de politie en andere (keten)partners aannemelijk (moeten) maken waarom in een specifieke zaak een geschonden eergevoel als motief voor (dreigend) geweld kan worden gezien. Dit toont opnieuw aan hoe moeilijk het is om het etiket ‘eer gerelateerd geweld’ op een dossier te plakken.

Onderzoeksopzet

In deze derde rapportage gaat het om de inhoud en achtergronden van de casuïstiek. Op basis van ernst en frequentie is een selectie van de casuïstiek gemaakt. De centrale vraag is: wat is bekend over de aanleiding van het conflict en de wijzen waarop betrokken burgers tracht(t)en dit conflict op te lossen? Daarnaast speelt de vraag een rol of er specifieke patronen kunnen worden ontdekt als ontwikkelingen in de tijd worden geplaatst.

Selectie, uitwerking en ontwikkeling van de casuïstiek

Hoofdstuk 2 is gewijd aan de selectie en methode van uitwerking van de in dit rapport beschreven casuïstiek. Daarbij is naar de ernst is gekeken (dodelijke afloop) en naar veel voorkomende bedreigingen.

Onderzoek naar geweld

In hoofdstuk 3 gaat om de de vraag hoe de preventie en aanpak van eer gerelateerd geweld in de politietaak past. Daarna zijn enkele idealen uiteen gezet voor onderzoek naar eer gerelateerd geweld. Daarbij wordt een pleidooi gehouden voor aandacht voor het procesmatige karakter van gewelddadige fenomenen, aandacht voor drijfveren van geweldplegers, het casus-niveau en longitudinaal onderzoek.

Bedreigingen

Hoofdstuk 4 staat geheel in het teken van bedreigingen. In totaal worden in dit hoofdstuk zijn 50 bedreigingen beschreven. Ruim de helft (n=28) van deze bedreigingen had te maken met problemen op het terrein van partnerkeuze. Het merendeel van die zaken (n=19) had weer betrekking op conflicten rond echtscheidingen. In deze 50 zaken werden 36 individuele slachtoffers onderscheiden en 14 groepen. Verder kwamen er 22 verdachten in beeld, bij 26 zaken voelde men zich bedreigd door een groep mensen en in twee zaken was niet duidelijk uit welke hoek de dreiging kwam.
De meerderheid van de individuele slachtoffers (n=31) bleek vrouw te zijn. In vijf gevallen ging het om mannen. Bij de individuele verdachten is het beeld omgekeerd: dit waren op één na allemaal mannen. Daar waar het groepen betrof, was er zowel sprake van mannelijke als vrouwelijke slachtoffers en verdachten. Gemiddeld waren verdachten met 35 jaar iets ouder dan slachtoffers, die circa 28 jaar oud waren.
De helft van de bestudeerde bedreigingen kwam van korps Haaglanden. Het merendeel van de zaken speelde zich af in een Turkse en Marokkaanse context. Er kwamen ook zaken in beeld waarbij meerdere etnische groepen betrokken waren, waaronder ook autochtonen.
Op zoek naar tijdlijnen en patronen is duidelijk geworden dat er zich wat betreft bedreigingen twee situaties voor kunnen doen. In het eerste geval komen burgers bij de politie terecht als in hun omgeving een dreigement geuit is. In het tweede geval komen burgers bij de politie als zij bang zijn dat er bedreiging gaat komen als bepaalde feiten of geheimen bekend worden.
Circa twee jaar na het peiljaar zijn de 50 bedreigingen nog eens tegen het licht gehouden. In twaalf zaken werden nieuwe vermeldingen in de politiële informatiesystemen teruggevonden. De relatie met de oorspronkelijke zaak was niet altijd te leggen.
Bij 20 van de 50 bedreigingen is een externe deskundige ingeschakeld. In dit onderzoek is vooral gelet op de manier waarop de deskundige de aanwezigheid van culturele verklaringen onderbouwt.
Aandachtspunten die telkens terugkwamen in deze analyses waren uiteraard het land van herkomst en de etnische achtergrond, de sociaaleconomische status, het migratieverleden en machtsverhoudingen binnen de familie en de gemeenschap.

Zaken met dodelijke afloop

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op elf zaken met dodelijke afloop. In twee zaken betrof het een zelfdoding en in twee zaken werd niet duidelijk of het om een natuurlijk of een onnatuurlijk overlijden ging. Vanwege beperkte informatie in de dossiers bleek het niet eenvoudig om deze
zaken in te passen binnen het schema van de levensloop. In totaal was er sprake van elf doden, vijf vrouwen en zes mannen. Er kwamen zes individuele verdachten in beeld, allen mannen behorende tot de kring van (ex)partners en familie(vrienden) van het slachtoffer. De leeftijd van de slachtoffers loopt sterk uiteen: van 0 tot 36 jaar, met een gemiddelde van 20 jaar. De verdachten zijn over het algemeen wat ouder, daarvan is de gemiddelde leeftijd 35 met een range van 22 tot 56 jaar. Zes van deze elf zaken speelden zich af in de politieregio Haaglanden. Vier zaken
speelden zich af tegen een Turkse en twee tegen een Surinaams-Hindoestaanse achtergrond. Verder was er een zaak waarbij de betrokken van Marokkaanse komaf waren en één van Somalische. Bij twee
zaken waren verschillende etniciteiten betrokken, waaronder Hindoestanen, Koerden, Chinezen en autochtonen. In één zaak zijn gegevens over de etnische context niet duidelijk geworden. Vijf dossiers gaven geen informatie over eventuele contacten met andere partners van de politie. Instellingen die in de andere zaken wel genoemd werden, waren maatschappelijk werk, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg en een voor vrouwenopvang, een woningbouwvereniging, een onderwijsinstelling en Bureau Jeugdzorg. Bij drie zaken met dodelijke afloop is een externe deskundige door de Unit MEP geconsulteerd.
Bij deze drie zaken werden op het culturele vlak dezelfde aspecten benoemd als bij de bedreigingen. Bij twee dodelijke zaken ging de externe deskundige daarnaast ook in op de (dreiging) met bloedwraak.

Onderzoek naar eergerelateerd geweld

Hoofdstuk 6 beschrijft de vraag of de casuïstiek uit 2006 onder de noemer ‘eer gerelateerd geweld’ kan worden gebracht. Nagegaan is of de zaken uit het peiljaar zijn in te passen binnen de werkdefinitie van Ferwerda en Van Leiden (2005). Dat bleek geen noemenswaardige problemen op te
leveren. Daarnaast is in dit hoofdstuk ook de vraag gesteld of bij het gebruik van het paraplubegrip ‘eer gerelateerd geweld’ niet het gevaar van begripserosie bestaat.

pdf bestandDownload: Mogelijke eerzaken nader bekeken. (pdf, 1,96 MB)


Janssen, J., & Sanberg, R. (2010). Mogelijke eerzaken nader bekeken. Een onderzoek naar casuïstiek uit 2006. Deelrapport 3. Den Haag: Ministerie van BZK, Ministerie van Justitie Programmabureau Eergerelateerd Geweld Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld.