Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Rapportage onderzoek onder artsen naar de werking van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

16-06-2015

Quick scan naar de ervaringen met de meldcode van huisartsen, jeugdartsen, kinderartsen en psychiaters

Twee jaar na inwerkingtreding van de meldcode heeft het Ministerie van VWS opdracht gegeven tot een quick scan om inzicht te krijgen in de uitvoering van de wet en hoe verschillende sectoren daarmee omgaan. De quickscan onder artsen is in de eerste helft van 2015 uitgevoerd.

Resultaten

Artsen zijn over het algemeen goed bekend met de meldcode (83%); bijna twee derde is er ook van op de hoogte dat stap 2 (consultatie en overleg) een verplichte stap is in de meldcode van de KNMG. 70% geeft aan dat het hun verantwoordelijkheid is om te handelen bij vermoedens en/of signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Ondersteuning

Het merendeel van de artsen vindt dat de meldcode (heel) veel ondersteuning biedt. Vooral omdat deze structuur geeft en helpt bij het maken van een zorgvuldige afweging over het doen van een melding bij het AMHK/Veilig Thuis en bij het onderbouwen van deze beslissing.

Herkennen van signalen

Hun eigen kennis en vaardigheden om signalen van huiselijk geweld te herkennen, waarderen artsen gemiddeld met resp. een 6,6 (kennis) en een 6,4 (vaardigheden). Hun kennis en vaardigheden betreffende het herkennen van signalen van kindermishandeling waarderen ze gemiddeld met resp. een 6,4 (kennis) en een 6,2 (vaardigheden).

Gesprekken met betrokkenen en/of ouders

Het uitvoeren van stap 3 (gesprekken met betrokkenen en/of ouders) blijkt in de praktijk lastig te zijn. Omdat artsen onzeker zijn over hun vermoedens, omdat ze het gesprek te confronterend vinden of omdat ze denken over onvoldoende expertise te beschikken om het gesprek te voeren.

Het vastleggen van de stappen in het patiëntendossier

Opgevangen signalen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling worden door 87% van de artsen in kaart gebracht door ze schriftelijk vast te leggen. Ook besluiten worden door 86% van de artsen schriftelijk vastgelegd. Bij kinderartsen en psychiaters zijn deze percentages hoger met respectievelijk 97% en 98%.

Belemmeringen bij de toepassing

De meest genoemde belemmeringen om de meldcode toe te passen zijn de vertrouwensrelatie met de patiënt (58%) - bij de huisartsen ligt dit percentage met 79% hoger - de beperkte invloed die zij na een melding kunnen uitoefenen op de situatie, het beroepsgeheim, tijdsdruk, moeite met het bespreekbaar maken van signalen met patiënten en onvoldoende vertrouwen in het vervolg na het ondernemen van actie of het doen van een melding door negatieve ervaringen in het verleden.

Kindcheck

Nog relatief weinig artsen zijn bekend met de kindcheck; 33% van de respondenten geeft aan hier voldoende tot goed mee bekend te zijn. Bij huisartsen en psychiaters is de bekendheid met de kindcheck groter (41% respectievelijk 63%).

Kennis en vaardigheden

Van de artsen die bekend zijn met de verplichting om te werken met een meldcode waardeert 77% hun kennis hierover met een 6 of hoger. Van de artsen waardeert 56% de eigen vaardigheden om met het stappenplan van de meldcode te werken als matig tot slecht.

Veilig Thuis

Het merendeel van de artsen (75%) is bekend met het AMHK/Veilig Thuis en is positief over de rol van en de samenwerking met Veilig Thuis. Dit geldt zowel voor meldingen als voor adviesvragen. Ook zijn artsen goed bekend met de vertrouwensartsen van Veilig Thuis en weten ze deze ook in de eigen regio te vinden.

Download het rapport

pdf-bestandRapportage onderzoek onder artsen naar de werking van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
(1,9 MB, via rijksoverheid.nl)


Pons, A.G.A., Lie, T.M.Y., Jong, M.M. de, Heuvel, A. van den (2015). Rapportage onderzoek onder artsen naar de werking van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Den Haag: BMC Onderzoek.
In opdracht van het Ministerie van VWS.