Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Risicofactoren in instellingen

17-02-2013

Risicofactoren voor kindermishandeling, ouderenmishandeling, partnergeweld en seksueel misbruik op cliënt- en op medewerkersniveau

Cliëntniveau

Op grond van wat we weten over kindermishandeling, ouderenmishandeling, partnergeweld en seksueel misbruik zijn de volgende risico’s op cliëntniveau van belang. Deze risico’s zijn onder te verdelen in risico’s voor mogelijk slachtofferschap en mogelijk plegerschap.

Risicofactoren slachtofferschap

  • Verminderde, vertraagde of verstoorde sociale en emotionele ontwikkeling; moeilijker kunnen leren middels ervaring.
  • Negatief/laag zelf- en lichaamsbeeld, een lage dunk van zichzelf hebben.
  • Moeite hebben met het inschatten van situaties en personen (veilig of onveilig, goed of niet goed).
  • Te groot vertrouwen in anderen.
  • Overbeschermd zijn.
  • Gebrek aan assertiviteit.
  • Gemakkelijker beïnvloedbaar zijn.
  • Beperkt normbesef/verminderde schaamtegevoelens.
  • Consequenties van eigen gedrag en dat van anderen moeilijker kunnen overzien.
  • Communicatieproblemen/niet kunnen praten over nare ervaringen.
  • (Familie)geschiedenis van verwaarlozing en/of geweld.
  • Vertonen van complex gedrag/gedragsproblematiek.
  • Verslavingsproblematiek.
  • Gebrek aan informatie over omgangsvormen, gedragsregels en beleid, en onbekendheid met klacht- of meldmogelijkheden of een ontoegankelijke klachtopvang (in combinatie met angst om te melden).

Risicofactoren plegerschap

  • Een negatief zelfbeeld.
  • Een beperkte cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling (een minder gedifferentieerd gevoelsleven; gebrekkige vaardigheid in het leggen van contacten; minder in staat zijn waarden en normen te internaliseren).
  • Zich minder kunnen inleven in een ander (gebrekkig sociaal inzicht; ontbreken van het besef dat anderen iets anders kunnen willen en voelen dan zijzelf, theory of mind).
  • Niet kunnen voldoen aan beelden rond mannelijkheid (geen sociaal of economisch gelegitimeerde 'macht').
  • Een minder ontwikkelde gewetensfunctie (men weet misschien wel dat 'iets niet mag', maar heeft geen ideevan het 'waarom').
  • Een beperkte(re) impulscontrole (als gevolg van de beperking, het ontwikkelingsniveau, psychische stoornissen of organische problemen).
  • Onrijpe seksualiteit: geen raad weten met seksuele opwinding/emoties, angst of boosheid leiden tot fysiologische spierspanning wat een erectie tot gevolg kan hebben.
  • Persoonlijkheidsstoornis.
  • (Familie)geschiedenis van verwaarlozing en/of geweld.

Medewerkersniveau

Ook op medewerkersniveau kunnen, op grond van wat we weten rond kindermishandeling en huiselijk geweld, mogelijke risicofactoren om grensoverschrijdend gedrag te gaan vertonen worden benoemd:

  • Psychische of psychiatrische problemen.
  • Negatief zelfbeeld; gebrek aan zelfvertrouwen.
  • Verslavingsproblematiek.
  • Problemen met reguleren en uitdrukken van emoties.
  • Geloof in het effect van fysieke straf en mishandeling.
  • Gebrek aan pedagogisch besef/niet handelen vanuit beroepshouding.
  • Sterke behoefte controlerend/almachtig te zijn.
  • In contact met cliënten zoeken naar warmte, steun, waardering en bevestiging.
  • Behoefte hebben de eigen mannelijkheid of vrouwelijkheid en/of seksuele aantrekkingskracht te bewijzen.
  • Een geschiedenis van grensoverschrijdend gedrag vertonen.
  • Negatieve jeugdervaringen/gezinsomstandigheden. Geschiedenis van verwaarlozing en geweld.
  • Stress en overbelasting.

Bron: Toolkit Werken aan sociale veiligheid, bijlage 3.