Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Early Home Visitation in Families at Risk for Child Maltreatment

Doel van dit onderzoek was om vast te stellen wat het effect is van huisbezoeken in gezinnen met een verhoogd risico op kindermishandeling.

Samenvatting

Kindermishandeling is een beladen term, wellicht omdat kindermishandeling als probleem nog niet veel ouder is dan 100 jaar. Pas in de tweede helft van de afgelopen eeuw werd kindermishandeling voor het eerst gezien als een bedreiging voor de ontwikkeling en ‘persoonswording’ van het kind, in plaats van als een bedreiging voor de samenleving. Als gevolg daarvan verschuift de reactie op het probleem langzaam van het behandelen en beperken van de gevolgen van mishandeling richting het begrijpen en voorkomen van het ontstaan van kindermishandeling, zoals wordt besproken in hoofdstuk twee.

In een poging om de mechanismen achter kindermishandeling te begrijpen zijn diverse theorieën ontwikkeld. Twee daarvan zijn geïntegreerd tot een paradigma voor deze studie. Hierin wordt een ecologisch perspectief op het gezinsfunctioneren verenigd met de notie van pedagogisch besef, waarmee het belang van de rol van de ouder benadrukt wordt. Dit paradigma vormt de basis voor zowel de methode van het selecteren van gezinnen als de preventieve interventiemethode. In hoofdstuk drie wordt, naast een uitgebreide verkenning van de verschillende aspecten van ons paradigma, een review van risicofactoren en hun relatie met kindermishandeling gepresenteerd. Op basis van deze zowel theoretische als empirische verkenning is een beslissing genomen over de ontwikkeling van het instrument dat werd ingezet bij de selectie van risicogezinnen.
In hoofdstuk vier worden diverse aspecten van het design van deze studie besproken. Ten eerste betreft dit keuzes voor de vormgeving van de interventie, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende buitenlandse overzichten van interventiestudies. Het gaat dan over de populatie en werving van deze populatie, over de start, duur en frequentie van de huisbezoeken, de vraag wie deze bezoeken uitvoert en tenslotte de doelstellingen en inhoud van de interventie. In deze studie werd ervoor gekozen om zes postnatale huisbezoeken gedurende de eerste 18 maanden af te laten leggen door wijkverpleegkundigen van het consultatiebureau. Doelgroep voor deze huisbezoeken waren gezinnen met een verhoogd risico op kindermishandeling, welke werden geworven door middel van een per post verzonden vragenlijst. De inhoud van de interventie werd zoals gezegd gebaseerd op het paradigma dat is geselecteerd voor deze studie. Dat hield in dat de interventie zich moest richten op
verbetering van het ouderlijk functioneren, de interactie tussen ouder en kind en de onderliggende perceptie, verwachting en sensitiviteit alsmede op de optimalisatie van het sociale netwerk rond het gezin. Naast het design van de interventie wordt ook het design van de effectstudie in dit hoofdstuk besproken. Op grond van verschillende overwegingen werd besloten om de effecten van de interventie vast te stellen op grond van door ouders ingevulde vragenlijsten, aangevuld met informatie van derden, te weten de huisartsen en CB-artsen van gezinnen en het AMK.
Vanaf hoofdstuk vijf worden de verschillende aspecten van de resultaten van deze studie gepresenteerd. Als eerste betreft dat de resultaten van de selectiefase. Een korte vragenlijst werd gebruikt om risicogezinnen te kunnen selecteren. Deze vragenlijst werd verzonden aan alle gezinnen met een pasgeboren kind in de noordelijke helft van Zuid Holland gedurende 13 maanden. Dit vond plaats in samenwerking met de JGZ-wijkverpleegkundigen van consultatiebureaus in de regio. Van alle 8899 gezinnen die werden benaderd reageerden 55% terwijl de deelnemende wijkverpleegkundigen over 80% van de gezinnen rapporteerden. De meest gevonden risicofactoren zijn jeugdervaringen van mishandeling en geweld, bij 16% van de moeders en 10% van de vaders, en sociale isolatie bij 8% van beide ouders. Op grond van de ingevulde vragenlijsten werden 14.2% van alle benaderde gezinnen geselecteerd voor de interventie.
Aangezien 45% van de met een vragenlijst benaderde ouders niet reageerden is een apart hoofdstuk gewijd aan een vergelijking tussen deze non-respondenten en de responderende ouders. Om deze vergelijking te kunnen maken werd een namenalgoritme ontwikkeld zodat de etniciteit van elke familie kon worden vastgesteld. Daarnaast werden op basis van de adresgegevens voor een groot aantal families enkele buurtkarakteristieken vastgesteld. Tenslotte werden op grond van een steekproef uit de dossiers van het consultatiebureau andere socio-demografische variabelen achterhaald. Het resultaat van de vergelijking toonde aan dat respondenten en non-respondenten significant van elkaar verschillen. We concludeerden voorts dat non-respondenten veel lijken op de risicogezinnen die door middel van onze vragenlijst werden gevonden. Daarom is het noodzakelijk dat andere methoden worden ingezet bij de selectie van risicogezinnen zodat alle gezinnen die preventieve huisbezoeken nodig hebben kunnen worden bereikt.

De resultaten van deze preventieve huisbezoeken worden beschreven in de hoofdstukken zeven en acht. Allereerst wordt in hoofdstuk zeven het proces van de interventie besproken. Op basis van evaluaties onder zowel de deelnemende ouders als de bezoekende wijkverpleegkundigen is vastgesteld dat het programma, zoals dat is ontworpen, goed uitvoerbaar is, dat ouders de meeste doelstellingen van de interventie gehaald hebben volgens de wijkverpleegkundige en tenslotte dat ouders zeer tevreden zijn over het programma. In hoofdstuk acht worden dan uiteindelijk de effecten van de interventie besproken. De uitkomsten tonen aan dat zowel de ouderlijke verwachtingen van hun kinderen als de fysieke en psychosociale ontwikkeling van de kinderen zelf significant verbeterd zijn als gevolg van de interventie. Ook is een klinisch significante reductie van het risico op kindermishandeling gevonden in bijna een kwart van de interventiegroep ten opzichte van 8% in de controlegroep. De interventie blijkt goede resultaten te sorteren in gezinnen met een verhoogd risico en in gezinnen met een eerste kind. In het laatste hoofdstuk van dit boek concluderen we dat de resultaten van deze studie veelbelovend zijn en dat vervolgonderzoek de moeite waard is.

Onder de naam “Stevig Ouderschap” zijn de huisbezoeken overgenomen door (tot nu toe) tien thuiszorgorganisaties verspreid over Nederland, waaronder Thuiszorg Groot Rijnland in Leiden e.o., de ZorgRing in Zoetermeer e.o. en Valent RDB in Katwijk e.o.. Bouwmeester coacht de implementatie van de methode zelf.

De volgende publicaties zijn eveneens uit dit onderzoek voortgekomen:

PROJECT OKÉ (OUDER- EN KINDZORG EXTRA): PREVENTIE DOOR VROEGE INTERVENTIE
M.B.R. Bouwmeester-Landweer en W. van der Bent

Bouwmeester-Landweer, M.B.R. (2005). Project OKé, preventie van opvoedingsproblematiek en kindermishandeling. In: Tijdschrift voor Kindergeneeskunde, supplement 1

Bouwmeester-Landweer, M.B.R. (2006). Huisbezoeken in Risicogezinnen: OKé, een methode voor primaire preventie van kindermishandeling. In: Bonnet-Breusers, A.J.M., Hirasing, R.A. Hoppenbrouwers, K., Rensen, H.B.H. & Wagenaar Fischer, H.H. (eds). (2006). Praktijkboek Jeugdgezondheidszorg 26 - 37, I1.27-1/I1.27-28 . Doetinchem: Reed Elsevier

Bouwmeester-Landweer, M.B.R. (2006). Early Home Visitation in Families at Risk for Child Maltreatment. Rotterdam: Optima.