Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Criminogene problemen onder daders

30-07-2007

Criminogene problemen onder daders die in aanmerking komen voor gedragsinterventies.

Beleidsprogramma Terugdringing Recidive

Het beleidsprogramma ‘Terugdringen Recidive’ (TR) dat liep van 2002 tot 2006, had tot doel recidive bij volwassen veroordeelden te verminderen.

De gedragsinterventies die in het kader van Terugdringen Recidive zijn en worden ontwikkeld, richten zich op het veranderen van zogeheten criminogene factoren. Dit zijn risicofactoren die daders of specifieke dadergroepen kenmerken en die in meer of mindere mate kunnen samenhangen met het plegen van delicten. Door gedragsinterventies gericht in te zetten op deze criminogene factoren zou de recidive onder veroordeelden kunnen worden teruggedrongen, is de veronderstelling.

Om te kunnen bepalen welke gedragsinterventies nodig zijn en hoeveel daders bij benadering in aanmerking zullen komen voor deelname aan gedragsinterventies, zijn inzicht in de aard en omvang van deze criminogene factoren noodzakelijk.

Doelstelling onderzoek

Het doel van dit onderzoek is om een overzicht te geven van criminogene factoren bij de groep daders die in aanmerking komt voor het volgen van gedragsinterventies. Deze groep bestaat uit daders met een strafrestant van vier maanden of meer, en daders aan wie een extramurale toezichtsmaatregel is opgelegd. Daarnaast heeft dit onderzoek ten doel om een overzicht te geven van de prevalentie en de aard van criminogene factoren in twee subgroepen waar extra beleidsaandacht naar uitgaat: plegers van huiselijk geweld en zedendelinquenten. Tot slot dienen de resultaten van dit onderzoek een indicatie te geven van het aantal daders dat jaarlijks aan een van de gedragsinterventies zal kunnen deelnemen.

Om de aard en omvang van criminogene factoren bij daders die voor gedragsinterventies in aanmerking komen in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van de RISc, het diagnose-instrument van de reclassering.

Plegers huiselijk geweld

Aard en omvang van criminogene factoren bij plegers van huiselijk geweld hebben de onderzoekers apart geanalyseerd. De groep plegers van huiselijk geweld bestaat uit 1.409 personen. Deze daders komen niet zonder meer op basis van de afdoening van hun strafzaak in aanmerking voor deelname aan gedragsinterventies, maar kunnen uiteenlopende afdoeningen opgelegd hebben gekregen.

Op vrijwel alle RISc-schalen hebben plegers van huiselijk geweld, ook in vergelijkimg met de overige daders, opvallend weinig criminogene problemen. Slechts op de schalen Relaties met partner, gezins- en familieleden en Denkpatronen, gedrag en vaardigheden is bij meer dan de helft van de onderzoeksgroep sprake van criminogene problemen, hetgeen meer is dan bij de overige groepen.

Plegers van huiselijk geweld hebben bovendien in verhouding tot plegers van andere delicten vaker een laag recidiverisico.

Conclusie

Ondanks het feit dat het onderzoek slechts een indicatie geeft voor de prevalentie van criminogene problemen bij de verschillende subgroepen daders, leveren de resultaten een veelbelovend beeld op: bij vrijwel elke dader uit de TR-doelgroep zijn aanknopingspunten voor gedragsinterventies, in de vorm van criminogene problemen, aanwezig.

Door het interventieaanbod af te stemmen op criminogene factoren bij de verschillende subgroepen van daders, kan een zo groot mogelijk effect op recidive worden bereikt.

pdf bestandDownload Criminogene problemen onder daders die in aanmerking komen voor gedragsinterventies (pdf, 352 Kb)