Logo Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

huiselijkgeweld.nl

Dwang en drang in de hulpverlening

Dit themanummer van Justitiële verkenningen wil een bijdrage leveren aan herbezinning en inzicht bieden in de theorie en praktijk van zorg en hulp in een dwangkader.

Kun je iemand helpen die niet om hulp vraagt? Dit is in de kern de vraag waarvoor elke professional of hulpverlener in een gedwongen kader zich gesteld ziet, én de rode draad door dit themanummer over dwang en drang in de hulpverlening.
Effectieve interventies vragen om effectieve professionals. Aangezien het laatste niet automatische uit het eerste voortvloeit, is een herbezinning op de rol van de professional gewenst. Immers, zonder effectieve professionals geen effectieve interventie. Met dit themanummer wordt beoogd een bijdrage te leveren aan die herbezinning en inzicht te bieden in de theorie en praktijk van zorg en hulp in een dwangkader.

Inhoud:

  1. Zorg onder dwang en drang; een verkenning van mogelijkheden en grenzen - M. van Ooyen-Houben, D. Roeg, C.H. de Kogel en M. Koeter
  2. Professioneel werken in gedwongen kader - A. Menger
  3. Paradoxen of dilemma's? Over dwang in het werk van Reclassering Nederland - R. Poort en A. Andreas
  4. Hulp en dwang vanuit zorgethisch perspectief - G.A.M. Widdershoven en T.A. Abma
  5. Juridische aspecten van dwangbehandeling - A. van der Horst

In het eerste artikel van Van Ooyen-Houben, Roeg, De Kogel en Koeter worden de begrippen dwang endrang nader toegelicht. Bestaande literatuur over gedragsmechanismen en de effectiviteit van dwang en drang worden besproken. Voorts biedt het stuk een overzicht van de civiel- en strafrechtelij-kebepalingen die vormen van dwang mogelijk maken in de context van maatschappelijke veiligheid en zorg. De auteurs signaleren een trend naar het vaker toepassen van gedwongen opnames, (quasi-)dwangbehandeling en intensieve zorg voor mensen met psychische en sociale problemen.

Vervolgens gaat Menger in op de methodieken die zijn ontwikkeldom de hulpverlening in een ge-dwongen kader effectiever te maken. Ze vat de belangrijkste wetenschappelijke bevindingen samen en geeft aan wat de kenmerken zijn van een succesvolle hulpinterventie. Haar betoog rust op vijf pij-lers: een vlotte samenwerking en goede afstemming binnen de justitiële keten is onontbeerlijk;de aan-leiding voor het justitiële ingrijpen is de maatstaf voor het contact tussen hulpverlener en cliënt; verzet van de cliënt tegen de hulpverlener en de behandeling moet als een normale reactie worden be-schouwd; men mag niet verwachten dat cliënten gemotiveerd zijn, gebrek aan motivatie is vaak deel van het probleem; ten slotte mag alle aandacht voor What Works niet leiden tot verwaarlozing van de vraag Who Works. Een zeker mate van autonomie voor de hulpverlener in zijn werkwijze is onontbeer-lijk om flexibel te kunnen inspelen op de behoeften van cliënten.

Voor Reclassering Nederland heeft de opmars van dwang en drang,maar ook van What Works grote gevolgen gehad. Poort en Andreas beschrijven in hun bijdrage de veranderingsprocessen die de or-ganisatieheeft ondergaan door de overgang van vrijwillige hulp naar hulp in een gedwongen kader. Zij besteden tevens aandacht aan de wijze waarop medewerkers deze cultuuromslag hebben beleefd en hoe zij zich de nieuwe werkmethoden hebben eigen gemaakt. De hiervoor geschetste trend naar min-der vrijblijvendheid in de hulpverlening en meer ‘resultaat’ plaatst hulpverleners steeds vaker voor beroepsethische dilemma’s. Zo worden bijvoorbeeld hulpverleners die werken met jonge psychiatri-sche patiënten of zwakbegaafden,soms geconfronteerd met crimineel gedrag van cliënten. Vaak twij-felt een hulpverlener dan of hij de politie moet waarschuwen. Respect voor de autonomie van de cliënt wordt nogal eens gebruikt als een reden om niets te doen.

Widdershoven en Abma betogen in hun artikel dat het afzien van interventie niet altijd recht doet aan die autonomie. Vaak zijn deze cliënten meer gebaat bij een actieve houding van hulpverleners, die hen zouden moeten stimuleren niet om te gaan met ‘verkeerde vrienden’. Juist interventie en overre-ding kunnen de autonomie van de cliënt bevorderen. De auteurs willen daarmee niet beweren dat elke interventie moreel aanvaardbaar is. Interventies moeten effectief zijn en niet ingrijpender dan no-dig.Ook is het zinvol naderhand de interventie te evalueren met de cliënt. Aan de hand van enkele recent verschenen adviesrapporten bespreekt Van der Horst ten slotte de wettelijke voorzieningen voor(medische) dwangbehandeling en therapie voor gedetineerden in Nederland. Op dit moment is dwangbehandeling slechts mogelijk in een situatie waarin acuut gevaar dreigt voor de gedetineer-den/of zijn directe omgeving. De auteur bespreekt de plannen voornieuwe wetgeving die de mogelijk-heden voor dwangbehandeling uitbreidt, zowel binnen als buiten de justitiële context.

Belangrijk element daarin is een uitbreiding van het genoemde gevaarscriterium,in de zin dat daarbij ook wordt gekeken naar de toekomst van de gedetineerde. Met het oog op perspectieven op vrijlating en een normaal leven buiten de inrichting zou dwangbehandeling in het belang kunnen zijn van de gedetineerde. Er moet echter worden gewaakt voor een al te gemakkelijke inzet van dwangbehandeling. Om een al te gemakkelijke toepassing van dwangbehandeling te voorkomen dient de toepassing van dwangbehandeling onderworpen te worden aan zorgvuldige criteria en procedures. Een nieuw-zorg- en behandelwet voor zowel het terrein van VWS als van Justitie kan hierin voorzien en een ein-de maken aan het ongewenst naast elkaar bestaan van verschillende regelingen ten aanzien van de dwangbehandeling.

pdf bestandVolledige tekst Justitiële Verkenningen mei 2008 (jaargang 34 nr. 3) (pdf, 1,24 MB)