Wetsvoorstel opvang van slachtoffers zonder verblijfsvergunning

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het ontwerpbesluit dat het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wijzigt in verband met de opvang van slachtoffers van eergerelateerd en huiselijk geweld zonder verblijfsvergunning. Het wetsvoorstel is gisteren bij de Tweede Kamer ingediend.

Het ontwerpbesluit probeert ervoor te zorgen dat slachtoffers van huiselijk en (dreigend) eergerelateerd geweld toegang krijgen tot de maatschappelijke opvang, ook als zij nog wachten op een beslissing op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning.

vrouw bij hekwerk

Gemeenten zullen vanuit het Gemeentefonds worden gecompenseerd voor de kosten van de opvang van deze slachtoffers in de periode dat zij wachten op een beslissing op hun aanvraag.

De grondslag voor het ontwerpbesluit is artikel 1.2.2, derde lid, van de Wmo 2015. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven aan te wijzen die in aanmerking komen voor specifieke maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Maar de categorie die in het besluit wordt toegevoegd heeft betrekking op vreemdelingen die – op grond van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 – wel rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Het advies is om in te gaan op dit verschil.

Internationaal recht

Alleen voor slachtoffers die al een aanvraag hebben gedaan voor een verblijfsvergunning en in afwachting zijn van een beslissing op die aanvraag, wordt nu opvang mogelijk gemaakt. Slachtoffers die nog geen aanvraag voor verblijf hebben gedaan, vallen daarmee buiten het bereik van de voorgestelde regeling. De Europese slachtofferrichtlijn en het Verdrag van Istanbul vereisen echter dat Nederland opvang voor álle slachtoffers van huiselijk of (dreigend) eergerelateerd geweld beschikbaar stelt, ongeacht hun verblijfsstatus. Het advies is om de toelichting aan te vullen met een analyse van de verhouding tussen het ontwerpbesluit enerzijds en de Europese Slachtofferrichtlijn en het Verdrag van Istanbul anderzijds en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.